1. Dansen op het water 2017-09-20T11:00:11+00:00

1. Dansen op het water

Harrie en Toeloeloe zitten nog steeds in de buik van Wietze de walvis. Ze zijn er bijna.
‘Ik vind het zo spannend,’ zegt Toeloeloe. ‘Ik ben benieuwd hoe we weer buiten komen.’
‘Ik ook,’ zucht Harrie. ‘Ik vind het een beetje eng.’
Toeloeloe wordt ongeduldig. Ze loopt heen en weer. ‘Wat duurt het lang.’
Precies op dat moment horen ze de stem van Wietze. ‘We zijn er! Zijn jullie er klaar voor?’
‘Jaaaa,’ roept Toeloeloe blij.
‘Mwah,’ mompelt Harrie zachtjes.
‘Oké,’ zegt Wietze. ‘Hou elkaar maar stevig vast. Daar gaan jullie.’
Toeloeloe en Harrie geven elkaar een poot.
‘Eén, twee en drie…,’ roept Wietze.
‘Ik wil niet,’ zegt Harrie, maar het is al te laat. Hij voelt dat hij omhoog geduwd wordt. Hij doet zijn oogjes dicht. Het lijkt wel of hij vliegt. Ineens voelt hij waterspetters en het is een stuk kouder.
‘Joehoe,’ gilt Toeloeloe. ‘Dit is leuk! Dit is geweldig! Oh Harrie, je moet je ogen open doen. Kijk eens waar je bent.’
Harrie houdt zijn ogen stijf dicht. Hij durft niet te kijken.
‘Toe nou, Harrie. Je weet niet wat je ziet,’ roept Toeloeloe blij. ‘Het is echt niet te geloven.’
Voorzichtig doet Harrie één oog een klein beetje open. Hûh? Wat is dat nou? Ziet hij nou een blauwe lucht? Zijn ze dan weer buiten?
Harrie doet ook zijn andere oog open. Dan ziet hij waar hij is.
‘Nee,’ denkt Harrie verschrikt. ‘Dit kan niet waar zijn.’
Hij zit boven op een fontein. Wietze heeft hem naar buiten gespoten. Wat zit hij hoog! Het lijkt wel of hij danst op het water. Harrie wordt er een beetje misselijk van.
Toeloeloe vindt het geweldig. ‘Hoger, Wietze,’ roept ze enthousiast. ‘Hoger!’
Wietze lacht. ‘Nou vooruit, nog een klein stukje dan,’ zegt hij.
Harrie houdt zich stevig aan Toeloeloe vast. ‘Ik wwwwil weer nnnaar bbeneden,’ zegt hij met een bibberstemmetje.
Gelukkig houdt de fontein op dat moment op. Zachtjes landen Toeloeloe en Harrie op de snuit van Wietze.
‘Jullie zijn er,’ zegt Wietze. Hij wijst met zijn snuit naar het eiland.
‘Is dit ons eiland?’ vraagt Harrie verbaasd.
‘Ik weet het niet,’ antwoordt Toeloeloe. ‘Het lijkt er wel heel erg op. Kijk, er staat ook een vuurtoren. Oh wat spannend. Kom, we gaan kijken. Kan je ons ernaar toe brengen, Wietze?’
Wietze schudt zijn kop. ‘Nee, ik kan niet verder zwemmen,’ zegt hij. ‘Dan kom ik vast te zitten in het zand.’
‘Maar hoe komen we daar dan?’ vraagt Harrie. ‘We kunnen niet zwemmen.’
O jee, daar had Wietze niet aan gedacht. Hij kijkt om zich heen. Dan ziet hij iets in het water drijven.
‘Jullie moeten op dat stukje hout klimmen,’ zegt hij. ‘De golven brengen jullie dan vanzelf naar het strand.’
Harrie ziet een stuk hout drijven. ‘Moeten we dáár op gaan zitten?’ vraagt hij bang. ‘Maar dan zinken we.’
‘Nee hoor,’ zegt Wietze. ‘Dat zal niet gebeuren. Ga maar gauw. Het was gezellig om jullie in mijn buik te hebben. Heel veel plezier met jullie nieuwe avonturen.’
Toeloeloe en Harrie geven Wietze een dikke zoen op zijn glibberige snuit.
‘Dank je wel voor alles,’ zegt Toeloeloe. ‘Toedeloe!’
‘Bedankt,’ zegt Harrie. ‘Hai hai.’
Even later dobberen Toeloeloe en Harrie op het kleine stukje hout. Wietze is verdwenen.
‘Het is hier best wel een beetje heel erg koud, vind je niet?’ bibbert Harrie.
‘Ja,’ antwoordt Toeloeloe. ‘Heel koud. Ik denk dat dit niet ons eiland is, Harrie. Daar is het altijd lekker warm. Maar waar zijn we dan wel?’

  • Toeloeloe en Harrie