2. Een wolk op pootjes 2017-09-25T15:46:31+00:00

2. Een wolk op pootjes

Toeloeloe en Harrie dobberen nog steeds op het water. Ze zijn nu vlakbij het eiland.

‘Ik heb het zo koud,’ bibbert Toeloeloe. ‘Ik ook,’ zegt Harrie. Hij klappert met zijn tanden.

Toeloeloe steekt een pootje in het water. ‘Brrrrr,’ zegt ze. ‘Het water is ook al zo koud. Ik hoop dat we snel aan land zijn.’

Even later staan Toeloeloe en Harrie op het strand. Ze kijken om zich heen. ‘Waar zijn ze? Welke kant moeten we op?’ vraagt Harrie bezorgd.

‘Ik weet het niet,’ zegt Toeloeloe. ‘Laten we maar naar de vuurtoren lopen. En we gaan niet wandelen, maar we gaan hardlopen. Dan worden we een beetje warm.’ Ze rent meteen weg.

Harrie houdt niet van hardlopen. Daar wordt hij moe van. Maar hij heeft het heel koud, dus rent hij snel achter Toeloeloe aan.

Ineens staat Toeloeloe stil. Harrie botst tegen haar aan.

‘Kijk daar eens,’ zegt Toeloeloe. Ze wijst in de verte. Daar lopen een heleboel witte dieren op een groot groen grasveld.

‘Wat zijn dat voor gekke beesten?’ vraagt Harrie verbaasd. ‘Ze lijken op wolken.’

Toeloeloe begint te lachen. ‘Je hebt gelijk,’ zegt ze. ‘Het zijn wolken op pootjes. Die wil ik eens van dichtbij bekijken.’ Ze rent  naar de dieren toe.

‘Voorzichtig!’ roept Harrie geschrokken. ‘Misschien zijn ze wel heel gevaarlijk. Straks word je nog opgegeten.’

Maar Toeloeloe luistert niet. Ze is veel te nieuwsgierig.

Harrie blijft alleen achter. ‘Als dat maar goed gaat,’ zucht hij.

‘Mwèèèh. Mwèèèh’ roept één van de witte dieren als ze Toeloeloe ziet.

‘Hallo!’ roept Toeloeloe vrolijk. ‘Ik ben Toeloeloe. Ik ben een krabje. Wie ben jij?’

‘Mwèèèh. Ik ben Simone. Ik ben een schaap. Ik woon hier samen met mijn hele familie.’

Ze wijst naar de andere schapen. ‘Woon jij hier ook?’ vraagt ze dan. ‘Ik heb je nog nooit eerder gezien.’

Toeloeloe schudt haar hoofd. ‘Nee, ik woon hier niet. Ik ben met mijn vriendje Harrie de hagedis op wereldreis. Ik ben net aangekomen.’

‘Ben je met de boot gekomen?’ vraagt Simone.

‘Ha ha ha,’ lacht Toeloeloe. ‘Een soort boot. We zijn in de buik van Wietze de walvis de zee over gevaren.’

Simone kan haar oren niet geloven. In de buik van een walvis? Wat een vreemd verhaal.

‘Waar ben ik eigenlijk?’ vraagt Toeloeloe dan.

‘Je bent op het eiland Texel,’ antwoordt Simone. ‘Het schapeneiland. Maar waar is jouw vriendje Harrie? Ik heb hem nog niet gezien.’

‘Harrie is een beetje bang,’ legt Toeloeloe uit. ‘Hij denkt dat jullie hem op willen eten.’

Nu moet Simone heel hard lachen. ‘Mwèèèh, mwèèèh, mwèèèh. Schapen eten geen hagedissen. Wij eten alleen maar gras. Hij hoeft niet bang te zijn.’

‘Fijn!’ roept Toeloeloe. ‘Harrie! Harrie! Kom maar. Het zijn schapen. Ze zijn heel lief en ze lusten geen hagedissen.’

Voorzichtig loopt Harrie naar Simone toe. Hij vindt het heel spannend. Simone is ook zo groot.

‘Hallo,’ zegt Harrie verlegen. Hij klappert nog steeds met zijn tanden. ‘Ik ben klapper  Harrie klapper de hagedis. Klapper klapper klapper.’

‘Hallo Harrie’ zegt Simone vriendelijk. ‘Welkom op Texel. Heb je het koud? Je trilt helemaal.’

Harrie knikt. ‘Kruip maar snel in mijn vacht,’ zegt Simone dan. ‘Daar is het heerlijk warm.’

‘Mag ik ook?’ vraagt Toeloeloe. ‘Ik heb het ook heel koud.’

‘Natuurlijk mag jij ook,’ antwoordt Simone.

Toeloeloe en Harrie kruipen langs Simones poot omhoog. Even later zitten ze in haar zachte vacht. Oh, wat is het daar lekker warm!!!

  • Toeloeloe en Harrie