29. Hatsjoe!

Toeloeloe en Harrie liggen op hun rug in het zonnetje.

Gelukkig regent het vandaag niet. Het is lekker warm.

‘Heerlijk,’ mompelt Harrie. ‘Ik kan zo de hele dag wel blijven liggen.’

‘Nou ik niet, hoor,’ zegt Toeloeloe. ‘Ik wil zo wel weer verder op ontdekkingsreis. Waar zullen we nu eens naar toe gaan?’

Harrie geeft geen antwoord. Hij krabt met zijn pootje aan zijn snuit.

‘Hallo, ik vraag je wat,’ zegt Toeloeloe. ‘Waar zullen we naar toe gaan?’

‘Hatsjoe!’ zegt Harrie.

Toeloeloe kijkt hem verbaasd aan. Wat is dat nou voor gek antwoord?  ‘Zei je nou hatsjoe?’

Harrie knikt.

‘Wil je naar hatsjoe? Dat ken ik helemaal niet.  Waar ligt dat?’

‘Dat weet ik  niet,’ zegt Harrie. ‘Ik weet ook niet waarom ik dat zei. Het ging vanzelf.’

‘Je bent een rare,’ lacht Toeloeloe. ‘Maar je hebt nog geen antwoord op mijn vraag gegeven. Waar zullen we naar toe gaan?’

‘Hatsjoe!’ antwoordt Harrie weer. Hij wrijft over zijn snuit.

‘Nu zeg je het weer,’ moppert Toeloeloe. ‘Wat flauw.’

‘Ik kan er niets aan doen,’ zegt Harrie. ‘Het gaat vanzelf.’

Toeloeloe begrijpt er niets van. ‘Dat kan niet, Harrie. Je houdt me voor de gek.’

Harrie schudt zijn kop. ‘Echt niet, Toeloeloe. Het gebeurt echt vanzelf. Eerst begint….hatsjoe! Eerst begint mijn neus te kriebelen en dan zeg ik hatsjoe.’

‘Ja, ja, dat zal wel,’ bromt Toeloeloe. ‘Ik geloof er helemaal niets van. Hou er maar mee op, Harrie. Ik vind het geen leuk grapje.’

Nu wordt Harrie boos. ‘Waarom geloof je mij niet? Ik kan er echt niets……hatsjoe…. aan doen.’

‘Wat ben jij kinderachtig, zeg,’ roept Toeloeloe boos. Ze staat op en loopt weg. ‘Ga jij maar lekker in je eentje hatsjoeën.’

‘Nou moe,’ denkt Harrie. Hij krabt weer aan zijn snuit. Het kriebelt heel erg. Zou er een beestje in zijn snuit gekropen zijn? Hij krijgt ook ineens tranen in zijn ogen. Hoe kan dat nou weer? Hij is niet eens verdrietig. ‘Hatsjoe! Hatsjoe!’

‘Hou nou eens ohop,’ roept Toeloeloe. Ze loopt naar Harrie toe. Dan ziet ze tranen over Harrie’s snuit biggelen.

‘Moet je huilen?’ vraagt ze meteen bezorgd. ‘Moet je huilen omdat ik jou niet geloof?’

Harrie schudt zijn kop. ‘Nee,’ zegt hij. ‘De tranen komen vanzelf.’

‘Nou heb ik er genoeg van, Harrie,’ moppert Toeloeloe. ‘Hou eens op met dat kinderachtige gedoe. Je kunt niet vanzelf huilen en je kunt ook niet vanzelf hatsjoe zeggen.’

‘En toch gebeurt het,’ zegt Harrie. ‘Hatsjoe! En ik vind het ook niet leuk. Hatsjoe! Ik word er heel erg moe van.’

Toeloeloe gelooft er helemaal niets van. Harrie houdt haar gewoon voor de gek. Nou, ze trapt er mooi niet in.

‘Ik zeg niets meer tegen je tot je weer normaal doet,’ zegt Toeloeloe. Ze gaat naast Harrie zitten. Ze slaat haar pootjes over elkaar.

‘Hatsjoe!’ zegt Harrie.

Toeloeloe zegt niets.

‘Hatsjoe!’ zegt Harrie weer.

Toeloeloe houdt haar mond. Die flauwe Harrie.

Dan blijft het heel lang stil.

‘Hatsjoe!’ zegt Toeloeloe ineens. ‘Hatsjoe!’

‘Grappig, hoor,’ bromt Harrie. ‘Ga je mij een beetje na zitten doen.’

‘Niet waar,’ roept Toeloeloe. ‘Ik kan er niets aan doen. Het gaat …..hatsjoe….vanzelf.’

Harrie kijkt haar verbaasd aan. ‘Geloof je me nu?’

Toeloeloe knikt.

‘Hatsjoe!’ zeggen ze allebei tegelijk.

‘Ik denk dat we de hatsjoe-ziekte hebben,’ zegt Toeloeloe.

‘Ik hoop dat hij snel overgaat,’ moppert Harrie.

‘Ik ook,’ zegt Toeloeloe.

Hatsjoe!!!