5. Roetsj 2017-09-28T17:42:41+00:00

5. Roetsj

‘Pak me dan als je kan,’ roept Toeloeloe. Ze rent door de sneeuw. ‘Je kan me lekker niet pakken.’

Harrie rent achter Toeloeloe aan. Wat is ze snel! Ze kan natuurlijk heel hard lopen met haar tien pootjes. Hij kan haar niet inhalen. Het loopt ook zo lastig door de sneeuw.

‘Pak me dan als je kan,’ roept Toeloeloe weer. ‘Je kan me lekker ni…. Oh ah  oh.’

O jee. Wat gebeurt er nou? De pootjes van Toeloeloe glijden alle kanten op. Opeens ligt ze op de grond. Au!

Harrie rent naar haar toe. ‘Heb je je pijn ge….  Ah oh  ah.’

O jee. Nu ligt Harrie ook op de grond. Au!

Toeloeloe probeert op te staan. Maar het lukt niet. Haar pootjes glijden steeds weer weg. Dat is raar!

Dan horen ze iemand heel hard lachen. ‘Wheaaah, wheaaah, wheaaah.’

Het is Simone het schaap.

‘Lach je ons nu uit?’ vraagt Toeloeloe boos.

Simone schudt haar kop. ‘Sorry,’ giechelt ze. ‘Dat is niet mijn bedoeling, maar het ziet er zo grappig uit.’

‘Ik vind het helemaal niet grappig,’ zegt Toeloeloe. ‘Waarom kan ik niet op mijn pootjes blijven staan?’

‘Je staat op ijs,’ legt Simone uit.

‘IJs? Wat is dat nou weer?’ vraagt Harrie.

‘Als het heel koud is, bevriest het water. Dan wordt het ijs. En ijs is heel hard en glad.’

‘Dat heb ik gemerkt,’ moppert Harrie. Hij wrijft over zijn zere billen.

Simone moet weer lachen. ‘Kom maar gauw hier, dan gaan we iets leuks doen.’

Toeloeloe en Harrie glibberen voorzichtig naar Simone toe.

‘Wat gaan we doen?’ vraagt Toeloeloe nieuwsgierig.

‘We gaan sleetje rijden,’ antwoordt Simone.

Toeloeloe en Harrie begrijpen niet wat Simone bedoelt. Maar dan zien ze een kleine ronde schijf in de sneeuw liggen. Aan de schijf hangt een touw.

‘Dit is mijn slee,’ zegt Simone trots. ‘Stap maar op.’

Toeloeloe en Harrie gaan op de slee zitten. Simone neemt het touw in haar bek en begint te lopen. De slee glijdt zachtjes over de sneeuw.

‘Oh. Dit is leuk!’ roept Toeloeloe enthousiast.  Harrie houdt zich goed vast.

‘Kan je ook wat harder?’ gilt Toeloeloe. Simone knikt en begint te hollen. De slee gaat steeds harder.

‘Joepie,’ roept Toeloeloe. ‘Harder, Simone. Ik wil nog harder.’

Simone schudt haar kop. ‘Dat kan niet,’ hijgt ze. ‘Ik ben moe. Maar ik heb wel een ander idee.’

Even later stopt ze onderaan een kleine berg.

‘We gaan van de berg af sleeën.’

Harrie’s ogen worden groot van schrik. ‘Helemaal van bbboven naar bbbeneden?’ bibbert hij. ‘Maar ddddat ddddurf ik nnniet, hoor!’

‘Natuurlijk wel,’ zegt Toeloeloe. ‘Je durft veel meer dan je denkt, Harrie. Kom, we gaan naar boven.’

Ze pakt Harrie’s poot. Het is een hele klim. De berg is best hoog.

Eindelijk staan ze boven op de berg.

‘Gaan jullie maar eerst,’ zegt Simone.

Bibberend gaat Harrie op de slee zitten. Toeloeloe kruipt naast hem.

‘Eén, twee, drie….’ telt Simone. Ze geeft de slee een duw.

Daar gaan ze dan. Roetsj. Naar beneden. Wat gaat het hard!!

Harrie durft niet te kijken. ‘Jippie,’ gilt Toeloeloe. ‘Dit is geweldig.’ Ze gooit haar pootjes in de lucht.

De slee gaat steeds harder en harder. En dan zijn ze beneden.

‘Ik wil nog een keer,’ roept Toeloeloe. Ze rent naar boven.

Harrie blijft onder aan de berg staan. ‘Ik kijk wel,’ roept hij.

 

  • Toeloeloe en Harrie