8. Saai? 2017-09-28T17:54:53+00:00

8. Saai?

Toeloeloe en Harrie huppelen door het bloemenveld. Wat zijn ze prachtig! En zoveel mooie kleuren.

‘Zullen we er een paar plukken?’ vraagt Toeloeloe.

Harrie schudt zijn kop. ‘Nee, dat vind ik jammer. We laten ze mooi hier staan bij al hun vriendjes en vriendinnetjes.’

Toeloeloe knikt. Harrie heeft gelijk.

Ze loopt naar een grote roze bloem. De bloem ruikt heel lekker.

‘Wie ben jij?’ vraagt Toeloeloe nieuwsgierig.

‘Wij zijn een hyacint,’ antwoordt de roze bloem. Toeloeloe kijkt verbaasd naar de hyacint. Het lijkt wel of ze honderd verschillende stemmetjes hoort.

‘Wij bloeien in de lente. Vind je niet dat wij lekker ruiken?’

Toeloeloe knikt. Waar komen al die stemmetjes vandaan?

Dan ziet Toeloeloe dat de hyacint uit wel honderd kleine bloemetjes bestaat. Het lijkt wel of ze aan elkaar geplakt zijn. Wat grappig!

‘Hoor je dat?’ vraagt de hyacint ineens.

Toeloeloe luistert. Ergens in de verte zingt iemand een liedje.

‘We zingen een lente liedje van tra la la la la.

Het is een gezellig liedje van tra la la la la.

Nu gaan de bloemen bloeien, nu dansen alle koeien.

Van tra la la la van tra la la la van tra la la.’

‘Dat liedje horen wij elk jaar als de lente begint. Het klinkt zo vrolijk. Weet jij wie daar zo mooi zingt?’ vraagt de hyacint.

Toeloeloe schudt haar hoofd. ‘Nee, maar we kunnen samen wel even gaan kijken.’

De hyacint begint heel hard te lachen. ‘Dat kan niet, gekkie. Wij kunnen niet lopen. Wij zitten met onze wortels vast in de grond.’

‘Moet jij dan altijd op dezelfde plek blijven staan?’ vraagt Toeloeloe verschrikt. ‘Maar dat is toch ontzettend saai?’

‘Nee hoor,’ antwoordt de hyacint. ‘Het is hier nooit saai. Het is hier heel gezellig. Wij kletsen de hele dag met onze beste vriendinnen de blauwe druifjes en de krokusjes. We luisteren naar de prachtige verhalen van de narcissen. En de rode tulpen zijn heel erg grappig. Ze kennen heel veel moppen! We vervelen ons nooit. We maken van elke dag een feestje!’

‘Dat klinkt wel leuk,’ zegt Toeloeloe, ‘maar ik ben toch wel blij dat ik overal naar toe kan lopen. Ik zou me hier heel erg vervelen.’

‘Vervelen?’ roept de hyacint verbaasd. ‘Er is hier elke dag iets te zien! We zien de bolletjes uit de grond komen. We zien de bloemetjes steeds groter worden. Af en toe komt er een vliegje of een vogel op bezoek. En elke dag ziet de lucht er weer anders uit. Soms is hij blauw, dan is hij weer grijs. Of er zijn prachtige wolken. Nee, saai is het hier nooit.’

‘We zingen een lente liedje van  tra la la la la

Het is een gezellig liedje van tra la la la la

Nu gaan de bloemen bloeien, nu dansen alle koeien

Van tra la la la van tra la la la, van tra la la.’

Daar klinkt het leuke liedje weer!

‘Kom Harrie,’ roept Toeloeloe. ‘We gaan kijken wie er zo mooi kan zingen.’

Samen rennen ze door de bloemenwei. Het lied klinkt steeds duidelijker. Tra la la la la.

Ze worden er helemaal vrolijk van. ‘Tra la la la la,’ zingen ze allebei heel hard.

Ineens is het stil. Huh? Wat is dat nou?

‘Hallo. Hallo!’ roept Toeloeloe. ‘Wie is daar? Wie zingt dat vrolijke lenteliedje?’

Het blijft stil.

  • Toeloeloe en Harrie